Wellicht herken je onderstaande situatie omdat je een kind begeleidt dat vergelijkbare antwoorden geeft, omdat je zo’n kind in de klas hebt of omdat je ouder ben van zo’n kind. Wellicht was je vroeger zelf zo’n kind :)

Wat is ‘zo’n’ kind ?
Zo’n kind is een kind dat als je vraagt “Waarom lees je niet eerst de theorie?” je als anwoord krijgt “dat doe ik pas als ik het niet begrijp”. Of als je vraagt “Waarom verbeter je je fouten niet?” je dan als antwoord krijgt “omdat ik het nu toch weet” of dat tegen je zegt “Omdat ik van jou netjes moet werken maak ik fouten !

Kort geleden kregen wij een puber aangemeld. Voor deze blogpost noem ik hem gemakshalve even Bram. Bram zit momenteel in 3 VWO. Bram is onlangs getest en daar kwam uit naar voren dat Bram een zeer hoog IQ heeft en ook dat hij dysorthografie heeft. Ondanks zijn hoge IQ zijn zijn cijfers voor wiskunde zeer matig en ook zijn cijfers voor Nederlands zijn niet om over naar huis te schrijven.

Na overleg met de ouders ben ik begonnen met wiskunde. Al heel snel bleek dat wiskunde niet het echte probleem is, maar dat minder goed onwikkelde cognitieve - en executieve functies het probleem zijn. Tijdens het werken met Bram komt duidelijk naar voren dat hij over het algmeen de wiskunde theorie prima begrijpt, maar dat hij slordig werkt. Het netjes en eenduidig op papier zetten van de antwoorden is op z’n zachtst gezegt niet zijn sterkste kant. Ook controleert hij zichzelf niet.

Opdracht: Bereken AVoorbeeld van een wiskunde som die Bram moest maken:
Juiste Uitwerking: tan A = 2/3 ; A= tan-1 2/3 = 33,7 o
Uitwerking Bram: A = 2/3 ; A = 33,7 o
Uit zijn uitwerking blijkt dat hij de theorie over het uitrekenen van hoeken met behulp van de tangens begrepen heeft, maar dat zijn schriftelijke weergave te wensen overlaat.

Toen ik Bram wees op de verschillen zag je hem denken “Wat loop je toch te zeuren”. Hij lachte schaapachtig naar me toen ik hem vroeg of mijn interpretatie van zijn gezichtsuitdrukking klopte.

schaapachtig lachen

Ook begint hij met het maken van sommen voordat hij de theorie gelezen heeft. Deze theorie gaat hij namelijk pas lezen als hij denkt dat hij er niet uitkomt (“dat doe ik pas (het lezen van de theorie) als ik het niet snap”). Helaas voor Bram komt zijn gedachte niet altijd overeen met de werkelijkheid en maakt hij sommen fout terwijl hij denkt dat hij ze goed maakt. Ook vindt hij het niet nodig om fouten te verbeteren omdat wanneer de fouten met hem besproken zijn en hij denkt het te snappen, hij het zonde van zijn tijd vindt om het antwoord nog te verbeteren. Kortom; alles moet zo snel mogelijk.

Het probleem is dat hij, ondanks deze houding, het vanwege zijn intelligentie tot nu toe wel gered heeft. Met de bovenbouw in het vooruitzicht worden andere vaardigheden belangrijker en is een goede intelligentie alleen niet voldoende. Zijn cijfers beginnen nu dan ook minder te worden.

Samenvattend kan je stellen dat de cognitieve functies waarnemen, nauwkeurig zijn, niet impulsief zijn en plannen en de executieve functies respons-inhibitie en meta-cognitie minder goed ontwikkeld zijn.

Wat heeft dit alles met denkspellen te maken ?
In deel 2 van deze blogpost zal ik vertellen welke spellen ik inzet om bovengenoemde cognitieve - en executieve functies te trainen.